In werkomgevingen wordt blootstelling door inademing het vaakst aangewezen als de belangrijkste route in termen van potentiële toxiciteit, gevolgd door huidcontact en vervolgens inslikken.

De inslikroute van blootstelling wordt meestal als onbelangrijk beschouwd en zelden in aanmerking genomen. Dit is waarschijnlijk te wijten aan een aantal redenen:

  • de algemene overtuiging dat inslikken van gevaarlijke stoffen alleen opzettelijk of door grove nalatigheid kan gebeuren en dus vermeden kan worden;
  • de erkenning dat veel materialen slechts zeer slecht geabsorbeerd worden uit de darmen (dit wil zeggen een lage biologische beschikbaarheid hebben) en als zodanig waarschijnlijk geen toxische effecten hebben wanneer ze in kleine hoeveelheden worden ingeslikt;
  • de veronderstelling dat wanneer een werknemer wordt blootgesteld door inademing, huidcontact en inslikken, de massa van het materiaal dat door inslikken in het lichaam wordt opgenomen klein kan zijn in vergelijking met de andere routes.

Er zijn verschillende groepen werknemers die een hoog risico lopen op werkgerelateerde ziekten door het inslikken van micro-organismen, zoals werknemers in de landbouw die met dieren werken, werknemers in de gezondheidszorg en laboratoriumpersoneel dat met ziekteverwekkers werkt. De belangrijkste infecties onder werknemers in de landbouw zijn zoönosen, waarbij de verwekkers virussen, bacteriën, schimmels of parasieten kunnen zijn. Werknemers in laboratoria, de gezondheidszorg en aanverwante sectoren lopen het risico op blootstelling aan veel verschillende infectieuze agentia, maar de meeste hiervan worden niet specifiek verspreid door inslikken.

  • Parlementaire vragen

  • 2820/1-7 Kamer - Wetsontwerp betreffende de verbetering van de binnenluchtkwaliteit in gesloten plaatsen die publiek toegankelijk zijn

  • 872 Kamer - Kwaliteit van de werkomgeving in het politiekantoor te Montigny-sur-Sambre

  • Kamer – Actualiteitsdebat op 8 mei 2020 over de coronaviruscrisis - Het toezicht op de naleving van de maatregelen door de bedrijven

  • Kamer – Actualiteitsdebat op 8 mei 2020 over de coronaviruscrisis - Parlementaire vragen over de generieke gids tegen de verspreiding van COVID-19 op het werk

  • Kamer – Actualiteitsdebat op 8 mei 2020 over de coronaviruscrisis - De categorisering van COVID-19 in de lijst van biologische agentia

  • Kamer – actualiteitsdebat op 8 april 2020 over de coronaviruscrisis en de impact op de werkgelegenheid

  • 22885, 22905, 23792 Kamer - Longziekten bij schoonmaakpersoneel

  • 20579 en 20580 Kamer - Het abnormaal hoge aantal zieken bij Clarebout Potatoes

  • Richtlijn biologische agentia en welzijn op het werk in centra met opvang van wilde dieren (FOD Werkgelegenheid – België – 2025)

    De opvang van wilde dieren brengt specifieke uitdagingen met zich mee voor het welzijn en de veiligheid van werknemers. Bij contact met vogels of andere dieren kan blootstelling aan biologische agentia optreden, waaronder zorgwekkende zoönosen zoals het vogelgriepvirus. Om werknemers te beschermen en risico’s te beheersen stelt de FOD Werkgelegenheid deze richtlijn ter beschikking.

    De richtlijn biedt een duidelijk kader voor risicoanalyse en preventiemaatregelen bij blootstelling aan biologische agentia. Ze geeft praktische handvatten voor opvangcentra, met aandacht voor intake en triage, technische voorzieningen en organisatorische maatregelen en persoonlijke beschermingsmaatregelen.

    Met deze richtlijn ondersteunt de FOD Werkgelegenheid opvangcentra en andere betrokkenen bij het uitwerken van een veilig en doeltreffend welzijnsbeleid. Dit gebeurt steeds in lijn met de bevoegdheden van de toezichthoudende inspectiediensten, die de autonomie behouden om concrete situaties te beoordelen en waar nodig in te grijpen. Het doel is een veilige werkomgeving waarin risico’s systematisch worden voorkomen of tot een zo laag mogelijk niveau worden teruggebracht.

    Download de Richtlijn biologische agentia en welzijn op het werk in centra met opvang van wilde dieren (PDF, 611 KB).