Er zijn verschillende maatregelen die kunnen worden genomen om de blootstelling van werknemers aan aerosolen te verminderen of te voorkomen, gebaseerd op het mechanisme van blootstelling. De volgorde van maatregelen volgen de het hiërarchische STOP-principe inzake preventie.

Allereerst moet er gekeken worden of de bron van de aerosolen niet geëlimineerd kan worden, met name de eliminatie van het gevaarlijk biologisch agens. Dit kan eenvoudigweg een verwijdering van bijvoorbeeld schimmels of bacteriën op de arbeidsplaats inhouden. Gevaarlijke biologische agentia kunnen ook vervangen worden door niet of minder gevaarlijke agentia, zoals bij werkzaamheden in laboratoria waar er welbewust met zulke agentia wordt gewerkt. Daarnaast kunnen er preventieve maatregelen getroffen worden zodat de mogelijke bronnen van aerosolen op de arbeidsplaats worden beperkt. Zo kan men bij de keuze van materiaal van de bouw of inrichting van de arbeidsplaats kiezen voor materialen die niet tot weinig gevoelig zijn voor de groei van bacteriën of schimmels omdat ze organische voedingstoffen bevatten en vocht vasthouden. Materialen zoals behang, gipsplaat, onbehandeld hout en tapijt zijn materialen die hier gevoelig voor zijn. Bovendien kan tapijt op de arbeidsplaats ook best vermeden worden, aangezien het langs de ene kant de groei van pathogenen kan bevorderen en langs de andere kant resuspensie van stof in de lucht bevordert en dus een secundaire bron voor aerosolen op de arbeidsplaats kan zijn.

In verschillende sectoren zoals de gezondheidszorg of diergeneeskunde is het uiteraard belangrijk om de nodige protocollen (bijvoorbeeld qua isolatie) te volgen, afhankelijk van het (waarschijnlijke) aanwezige biologisch agens, om verdere verspreiding via aerosolen te voorkomen. Met andere woorden de isolatie van de bron aerosolen die pathogenen kunnen bevatten. Hetzelfde principe van isolatie kan ook worden toegepast in de veeteelt. In bepaalde gevallen is zelfs het ruimen van de veestapel noodzakelijk. In laboratoria waar er op een welbewuste manier met gevaarlijke biologische agentia wordt gewerkt, wordt de vrijgave van besmettelijke aerosolen voorkomen door te werken in de geschikte bioveiligheidskasten en andere gerelateerde beheersingsvoorzieningen. Dit is uiteraard afhankelijk van de gevarengroep en het overeenkomstig beheersingsniveau, zoals bepaald in de bepalingen van de codex (zie Industriële procedés, laboratoria en dierenverblijven).

Op de meeste arbeidsplaatsen is een goede ventilatie een zeer geschikte maatregel om de verspreiding van de geproduceerde aerosolen naar andere werknemers in de omgeving te verminderen. Een adequate ventilatie houdt rekening met de benodigde luchtverversing die gelinkt is aan de afmetingen van de ruimte, het aantal aanwezige individuen en in welke mate ze aerosolen produceren. Aerosolproductie hangt af van de aard van activiteit en fysieke inspanning, waarbij iemand die stil zit veel minder aerosolen produceert dan iemand die praat en rondloopt.

In de praktijk wordt de CO2 in een werklokaal gebruikt om in te schatten of de mate van ventilatie voldoende is. Meer informatie over ventilatie op de arbeidsplaats, vind je in het deel In de praktijk: ventilatie en luchtzuivering. Anderzijds hangt de nodige luchtverversing ook af van de aanwezige verontreinigingsbronnen, namelijk hoe minder verontreinigingsbronnen er aanwezig zijn in een werklokaal, hoe minder luchtverversing er nodig is. Zoals reeds aangehaald is dit afhankelijk van de materialen die gebruikt werden om een werklokaal te bouwen of in te richten, zoals de aanwezigheid van tapijt of andere bronnen van biologisch materiaal dat goed vocht kan vasthouden. De keuze hoe men ventileert of welk systeem men hiervoor gebruikt zal afhangen van de mate van luchtverversing die men op een specifieke arbeidsplaats nodig heeft. Mechanische luchtverversing (HVAC-systemen) zijn een voordeel omdat men minder invloed ondervindt van de buitenlucht die wordt aangevoerd, met name te koude of te warme temperaturen. Tegelijkertijd kunnen dergelijke systemen ook een bron zijn van schadelijke aerosolen wanneer ze niet goed onderhouden of schoongemaakt worden. Het ventileren door directe aanvoer van buitenlucht, bijvoorbeeld via open ramen, kan voor een positief effect zorgen, maar kan ook zorgen voor het binnenbrengen van andere soorten van vervuiling, met name andere soorten van bioaerosolen (bijvoorbeeld allergenen) of fijn stof en chemische verontreiniging (bijvoorbeeld afkomstig van verkeer) die in een grootstedelijke context significant kunnen zijn. De keuze van de gepaste manier van ventileren zal uiteindelijk een resultaat zijn van de afweging van deze verschillende factoren tijdens de risicoanalyse.

Bovendien heeft dit ook te maken met het aanwezige stof en de mate waarin dit kan opwaaien om zo aerosolen te produceren die schadelijke biologische agentia kunnen bevatten. Het is dan ook belangrijk dat werklokalen goed en regelmatig worden gereinigd, zodat de ophoping van stof voorkomen wordt. Hierbij is het belangrijk dat er gekeken wordt naar geschikte reinigingsmethodes en-producten. Zo blijkt dat reinigingsproducten die die de lucht zuurder maken (zoals bleekwater) de levensduur van virusdeeltjes in de lucht bevorderen en dus net het risico op besmetting kunnen doen toenemen.

Op organisatorisch vlak kan er natuurlijk ook worden ingezet om het aantal aerosolen in een ruimte te beperken. Dit kan door het aantal werknemers die tegelijkertijd in een ruimte aanwezig zijn af te stemmen op luchtverversingscapaciteit van die ruimte, maar ook door rekening te houden met de afstand tussen werknemers, zodat de kans op besmetting verminderd kan worden. Een goed uitgewerkt telewerkbeleid in een onderneming kan daarnaast een goede strategie zijn om de kans op besmetting via aerosolen in bepaalde perioden van hoge circulatie in de algemene bevolking te beperken. Een dergelijk telewerkbeleid kan bijvoorbeeld dynamisch toegepast worden, waarbij er meer ruimte gecreëerd wordt om vanuit thuis te werken en preventief de mogelijkheid om via collega’s besmet te worden te verminderen. Langs de andere kant kan een goed werkend en open beleid rond telewerken werknemers sneller aanzetten om thuis te blijven wanneer ze symptomen vertonen (snotteren, hoesten, niezen, …), maar niet ziek (genoeg) geacht worden door hun arts om niet te werken. In plaats van toch naar de arbeidsplaats te gaan en collega’s mogelijk te besmetten, zou het beter zijn dat een werknemer op een open manier met zijn werkgever kan bespreken of er die periode niet beter aan telewerk wordt gedaan. Meer informatie over telewerk is beschikbaar in het deel In de praktijk: Telewerk.

In de context van het beschermen van werknemers tegen blootstelling aan aerosolen, moeten we natuurlijk ook rekening houden met mondmaskers. Uiteraard zijn persoonlijke beschermingsmiddelen zoals mondmaskers een laatste redmiddel om blootstelling te verminderen, aangezien eliminatie/vervanging van schadelijke aerosolen en technische/organisatorische collectieve beschermingsmiddelen veel effectiever zijn. Echter, verschillende wetenschappelijke studies tonen aan dat goede mondmaskers (bijvoorbeeld FFP2 en FFP3) die aangepast zijn aan de individuele werknemer en de werkzaamheden dat die moet uitvoeren, weldegelijk een grote mate van bescherming kunnen bieden. Meer informatie over persoonlijke beschermingsmiddelen en mondmaskers is terug te vinden in het deel In de praktijk: mondmaskers. Bovendien zijn goede mondmaskers niet enkel een manier om de drager te beschermen tegen blootstelling, maar ook een middel om het vrijkomen van schadelijke aerosolen, die door besmette personen worden geproduceerd, te beperken. Zo beschermt men werknemers die in contact komen met deze individuen tegen een mogelijke besmetting.

  • Parlementaire vragen

  • 2820/1-7 Kamer - Wetsontwerp betreffende de verbetering van de binnenluchtkwaliteit in gesloten plaatsen die publiek toegankelijk zijn

  • 872 Kamer - Kwaliteit van de werkomgeving in het politiekantoor te Montigny-sur-Sambre

  • Kamer – Actualiteitsdebat op 8 mei 2020 over de coronaviruscrisis - Het toezicht op de naleving van de maatregelen door de bedrijven

  • Kamer – Actualiteitsdebat op 8 mei 2020 over de coronaviruscrisis - Parlementaire vragen over de generieke gids tegen de verspreiding van COVID-19 op het werk

  • Kamer – Actualiteitsdebat op 8 mei 2020 over de coronaviruscrisis - De categorisering van COVID-19 in de lijst van biologische agentia

  • Kamer – actualiteitsdebat op 8 april 2020 over de coronaviruscrisis en de impact op de werkgelegenheid

  • 22885, 22905, 23792 Kamer - Longziekten bij schoonmaakpersoneel

  • 20579 en 20580 Kamer - Het abnormaal hoge aantal zieken bij Clarebout Potatoes

  • Richtlijn biologische agentia en welzijn op het werk in centra met opvang van wilde dieren (FOD Werkgelegenheid – België – 2025)

    De opvang van wilde dieren brengt specifieke uitdagingen met zich mee voor het welzijn en de veiligheid van werknemers. Bij contact met vogels of andere dieren kan blootstelling aan biologische agentia optreden, waaronder zorgwekkende zoönosen zoals het vogelgriepvirus. Om werknemers te beschermen en risico’s te beheersen stelt de FOD Werkgelegenheid deze richtlijn ter beschikking.

    De richtlijn biedt een duidelijk kader voor risicoanalyse en preventiemaatregelen bij blootstelling aan biologische agentia. Ze geeft praktische handvatten voor opvangcentra, met aandacht voor intake en triage, technische voorzieningen en organisatorische maatregelen en persoonlijke beschermingsmaatregelen.

    Met deze richtlijn ondersteunt de FOD Werkgelegenheid opvangcentra en andere betrokkenen bij het uitwerken van een veilig en doeltreffend welzijnsbeleid. Dit gebeurt steeds in lijn met de bevoegdheden van de toezichthoudende inspectiediensten, die de autonomie behouden om concrete situaties te beoordelen en waar nodig in te grijpen. Het doel is een veilige werkomgeving waarin risico’s systematisch worden voorkomen of tot een zo laag mogelijk niveau worden teruggebracht.

    Download de Richtlijn biologische agentia en welzijn op het werk in centra met opvang van wilde dieren (PDF, 611 KB).