Verschillende studies van de afgelopen jaren hebben aangetoond dat blootstelling aan (respiratoire) pathogenen, zoals virussen of bacteriën, via de lucht de dominante manier van overdracht is. We denken dan vooral aan inademing van aerosolen die in de lucht zweven. Deze recente studies tonen ook aan dat het droplet’-mechanisme, oftewel druppelmechanisme, veel minder belangrijk is in vele situaties. Dit droplet-mechanisme bestaat uit druppels die geprojecteerd worden, en daarna relatief snel naar beneden vallen, door de besmette persoon tijdens praten, hoesten of niezen worden gevormd die pathogenen bevatten en terechtkomen op (de slijmvliezen van) de mond, ogen of neus van een onbesmette persoon. Een recente studie die specifiek het droplet-mechanisme onderzocht, vond dat deze route alleen belangrijk is als de druppels groter zijn dan 100 μm en als de proefpersonen zich binnen 0,2 m bevonden terwijl ze praten of binnen 0,5 m terwijl ze hoesten. Hoe kleiner de uitgeademde druppeltjes, hoe belangrijker de transmissieroute door de lucht is. Deze en andere studies halen niet enkel het paradigma, dat het droplet-mechanisme de dominante transmissieroute van (respiratoire) pathogenen is, onderuit, ze halen ook het belang aan van blootstelling via de lucht door aerosolen en de nood aan passende preventiemiddelen zoals ventilatie.

Aerosolen die pathogenen bevatten, worden gegenereerd door een besmette persoon via ademhalingsactiviteiten, waardoor ze worden uitgeademd en verspreid in de omgeving.

Aerosolen die pathogenen bevatten, worden gegenereerd door een besmette persoon via ademhalingsactiviteiten, waardoor ze worden uitgeademd en verspreid in de omgeving. Ze kunnen door een potentiële gastheer worden ingeademd en een infectie veroorzaken, waarna deze besmette persoon deze pathogenen later op dezelfde manier kan verspreiden. In tegenstelling tot druppeltjes, die bijna meteen naar de grond vallen, kunnen aerosolen urenlang in de lucht blijven hangen en zich verschillende meters verspreiden van de geïnfecteerde persoon die ze uitademt. De kans op infectie is het grootst wanneer de besmette persoon in de nabijheid van de potentiële gastheer is, aangezien de concentratie van aerosolen, en dus ook pathogenen, daar het grootst is. Aangepast naar Wang et al. 2021.

  • Parlementaire vragen

  • 2820/1-7 Kamer - Wetsontwerp betreffende de verbetering van de binnenluchtkwaliteit in gesloten plaatsen die publiek toegankelijk zijn

  • 872 Kamer - Kwaliteit van de werkomgeving in het politiekantoor te Montigny-sur-Sambre

  • Kamer – Actualiteitsdebat op 8 mei 2020 over de coronaviruscrisis - Het toezicht op de naleving van de maatregelen door de bedrijven

  • Kamer – Actualiteitsdebat op 8 mei 2020 over de coronaviruscrisis - Parlementaire vragen over de generieke gids tegen de verspreiding van COVID-19 op het werk

  • Kamer – Actualiteitsdebat op 8 mei 2020 over de coronaviruscrisis - De categorisering van COVID-19 in de lijst van biologische agentia

  • Kamer – actualiteitsdebat op 8 april 2020 over de coronaviruscrisis en de impact op de werkgelegenheid

  • 22885, 22905, 23792 Kamer - Longziekten bij schoonmaakpersoneel

  • 20579 en 20580 Kamer - Het abnormaal hoge aantal zieken bij Clarebout Potatoes

  • Richtlijn biologische agentia en welzijn op het werk in centra met opvang van wilde dieren (FOD Werkgelegenheid – België – 2025)

    De opvang van wilde dieren brengt specifieke uitdagingen met zich mee voor het welzijn en de veiligheid van werknemers. Bij contact met vogels of andere dieren kan blootstelling aan biologische agentia optreden, waaronder zorgwekkende zoönosen zoals het vogelgriepvirus. Om werknemers te beschermen en risico’s te beheersen stelt de FOD Werkgelegenheid deze richtlijn ter beschikking.

    De richtlijn biedt een duidelijk kader voor risicoanalyse en preventiemaatregelen bij blootstelling aan biologische agentia. Ze geeft praktische handvatten voor opvangcentra, met aandacht voor intake en triage, technische voorzieningen en organisatorische maatregelen en persoonlijke beschermingsmaatregelen.

    Met deze richtlijn ondersteunt de FOD Werkgelegenheid opvangcentra en andere betrokkenen bij het uitwerken van een veilig en doeltreffend welzijnsbeleid. Dit gebeurt steeds in lijn met de bevoegdheden van de toezichthoudende inspectiediensten, die de autonomie behouden om concrete situaties te beoordelen en waar nodig in te grijpen. Het doel is een veilige werkomgeving waarin risico’s systematisch worden voorkomen of tot een zo laag mogelijk niveau worden teruggebracht.

    Download de Richtlijn biologische agentia en welzijn op het werk in centra met opvang van wilde dieren (PDF, 611 KB).