De bepalingen inzake biologische agentia maken een onderscheid tussen werkzaamheden waarbij er een ‘welbewust’ voornemen bestaat om met biologische agentia te werken of biologische agentia te gebruiken en werkzaamheden waarbij er niet welbewust met biologische agentia wordt gewerkt of een dergelijk agens wordt gebruikt, maar er wel ‘onopzettelijke blootstelling’ van de werknemers aan een biologisch agens kan plaatsvinden. Het onderscheid tussen de twee categorieën van werkzaamheden is cruciaal, omdat het bepaalt welke maatregelen de werkgever moet nemen. Voor werkzaamheden waarbij werknemers onopzettelijk worden of kunnen worden blootgesteld, zijn bijvoorbeeld niet alle maatregelen zinvol om ze toe te passen, zoals het vervangen van het biologisch agens, omdat het niet mogelijk is deze maatregelen in dergelijke situaties toe te passen. De specifieke maatregelen die de werkgever moet nemen wanneer uit de risicoanalyse blijkt dat er niet-intentionele blootstelling aan biologische agentia kan optreden, worden vermeld in artikel VII.1-18 van de codex over het welzijn op het werk. De werkgever is verplicht om deze maatregelen toe te passen. Echter, er kunnen zich situaties voordoen waarin de werkgever niet alle maatregelen hoeft toe te passen, mits de risicoanalyse aantoont dat dit niet noodzakelijk is. Dit kan het geval zijn wanneer er in specifieke omstandigheden geen werknemers worden of kunnen worden blootgesteld. Anderzijds kan het zijn dat de werkgever door het nemen van de meest beschermende preventiemaatregelen, die de blootstelling effectief voorkomen of de risico’s terugbrengen tot een zodanig laag niveau dat het een adequate bescherming biedt voor de gezondheid en veiligheid van de betrokken werknemers, het niet nodig is om nog aanvullende maatregelen te nemen.

Verder wordt er dieper ingegaan op het verschil tussen de concepten ‘welbewust voornemen gebruik biologische agentia’ en ‘onopzettelijke blootstelling’ inzake blootstelling aan biologische agentia.

Welbewust voornemen gebruik biologische agentia

Wanneer er uit de risicoanalyse blijkt dat de werkzaamheid het welbewuste voornemen impliceert met een biologisch agens te werken of een dergelijk agens te gebruiken, moet de werkgever, naast de algemene preventiemaatregen, ook verschillende bijzondere preventiemaatregelen treffen.

Het concrete verschil tussen welbewust en het niet welbewust gebruik zit in het voornemen om een specifiek of meerdere biologische agentia te gebruiken tijdens het uitvoeren van het werk. Voorbeelden hiervan zijn:

  • werkzaamheden in laboratoria: opkweken van specifieke micro-organismen, gebruik van bepaalde micro-organismen in onderzoek;
  • bepaalde industriële procedés: productie van vaccins;
  • gebruik van micro-organismen tijdens therapeutische behandeling: klinische studies met vaccins;
  • werken met genetisch gemodificeerde micro-organismen.

Dit zijn echter maar enkele voorbeelden van werkzaamheden waarbij er een mogelijke blootstelling aan biologische mogelijk is. Het is steeds de risicoanalyse die zal moeten uitwijzen welke gevaren en risico's er tijdens het uitvoeren van het werk aanwezig zijn.

Onopzettelijke blootstelling

Indien de resultaten van de risicoanalyse aantonen dat de werkzaamheid niet het welbewuste voornemen impliceert te werken met een biologisch agens of een dergelijk agens te gebruiken, maar wel onopzettelijke blootstelling van de werknemers aan een biologisch agens met zich kan brengen, moet de werkgever, naast de algemene preventiemaatregen, ook verschillende bijzondere preventiemaatregelen treffen (artikel VII.1-18). Dit omvat een zeer grote groep van werkzaamheden, enkele voorbeelden zijn:

  • werk in de voedingsindustrie;
  • werk in de landbouw;
  • werkzaamheden waarbij sprake is van contact met dieren of producten van dierlijke oorsprong;
  • werk in de gezondheidszorg, met inbegrip van werk in isolatie- en post-mortem-eenheden;
  • werk in klinische, veterinaire en diagnoselaboratoria, met uitsluiting van microbiologische diagnoselaboratoria;
  • werkzaamheden in diensten voor sociale hulp, noodhulp en in strafinrichtingen;
  • werk in vuilverwerkingsbedrijven;
  • werk in installaties voor de zuivering van afvalwater.

Dit is echter maar een klein deel van de werkzaamheden waarbij er een mogelijke blootstelling aan biologische agentia mogelijk is. Het is steeds de risicoanalyse die zal moeten uitwijzen welke gevaren en hoe groot de risico’s er aanwezig zijn tijdens het uitvoeren van het werk.

  • Parlementaire vragen

  • 2820/1-7 Kamer - Wetsontwerp betreffende de verbetering van de binnenluchtkwaliteit in gesloten plaatsen die publiek toegankelijk zijn

  • 872 Kamer - Kwaliteit van de werkomgeving in het politiekantoor te Montigny-sur-Sambre

  • Kamer – Actualiteitsdebat op 8 mei 2020 over de coronaviruscrisis - Het toezicht op de naleving van de maatregelen door de bedrijven

  • Kamer – Actualiteitsdebat op 8 mei 2020 over de coronaviruscrisis - Parlementaire vragen over de generieke gids tegen de verspreiding van COVID-19 op het werk

  • Kamer – Actualiteitsdebat op 8 mei 2020 over de coronaviruscrisis - De categorisering van COVID-19 in de lijst van biologische agentia

  • Kamer – actualiteitsdebat op 8 april 2020 over de coronaviruscrisis en de impact op de werkgelegenheid

  • 22885, 22905, 23792 Kamer - Longziekten bij schoonmaakpersoneel

  • 20579 en 20580 Kamer - Het abnormaal hoge aantal zieken bij Clarebout Potatoes

  • Richtlijn biologische agentia en welzijn op het werk in centra met opvang van wilde dieren (FOD Werkgelegenheid – België – 2025)

    De opvang van wilde dieren brengt specifieke uitdagingen met zich mee voor het welzijn en de veiligheid van werknemers. Bij contact met vogels of andere dieren kan blootstelling aan biologische agentia optreden, waaronder zorgwekkende zoönosen zoals het vogelgriepvirus. Om werknemers te beschermen en risico’s te beheersen stelt de FOD Werkgelegenheid deze richtlijn ter beschikking.

    De richtlijn biedt een duidelijk kader voor risicoanalyse en preventiemaatregelen bij blootstelling aan biologische agentia. Ze geeft praktische handvatten voor opvangcentra, met aandacht voor intake en triage, technische voorzieningen en organisatorische maatregelen en persoonlijke beschermingsmaatregelen.

    Met deze richtlijn ondersteunt de FOD Werkgelegenheid opvangcentra en andere betrokkenen bij het uitwerken van een veilig en doeltreffend welzijnsbeleid. Dit gebeurt steeds in lijn met de bevoegdheden van de toezichthoudende inspectiediensten, die de autonomie behouden om concrete situaties te beoordelen en waar nodig in te grijpen. Het doel is een veilige werkomgeving waarin risico’s systematisch worden voorkomen of tot een zo laag mogelijk niveau worden teruggebracht.

    Download de Richtlijn biologische agentia en welzijn op het werk in centra met opvang van wilde dieren (PDF, 611 KB).