STOP volgt een hiërarchie van controle. Voor biologische agentia is een stap omlaag in de hiërarchie alleen toegestaan wanneer technische beperkingen je beletten de blootstelling volledig te elimineren. Hier richten we ons op het tweede niveau, “T”, dat staat voor technische maatregelen.
Van gesloten systemen tot ventilatie en luchtverversing, vele van deze technieken helpen om blootstelling, idealiter aan de bron, te beheersen. Omdat deze technieken iedereen in de omgeving veilig houden, zijn ze een heel belangrijk element om de blootstelling aan biologische agentia weg te nemen of zo laag mogelijk te houden. Enkele praktische toepassingen:
- Gesloten systemen: gebruik van volledig gesloten systemen tijdens werkprocessen waarbij gevaarlijke biologische agentia gebruikt worden is de best mogelijke technische maatregelen om werknemers tegen blootstelling te beschermen. Dergelijke gesloten systemen kunnen worden toegepast in verschillende industriële procedés (gesloten reactorvaten) en bepaalde laboratoria die met zeer gevaarlijke pathogenen werken (biologische agentia van groep 4).
- Afzuiging en ventilatie: lokale afzuiging is bedoeld om de verontreinigde lucht bij de bron af te zuigen voordat deze de werknemers kan bereiken, zoals het evacueren van chirurgische rook tijdens een operatie door middel van elektrochirurgische apparaten met rookevacuatie. Systemen die één of meerdere ruimtes ventileren of zuiveren zorgen er voor dat mogelijke schadelijke stoffen die vrijkomen of aanwezig zijn op de arbeidsplaats afgevoerd/gezuiverd worden en de opbouw van hoge concentraties wordt verhinderd, wat mogelijke blootstelling aan biologische agentia voor werknemers kan beperken.
- Combinatie van insluiting en ventilatie: een derde optie zijn geventileerde omhulsels zoals bioveiligheidskasten of kasten met laminaire luchtstroom, waarbij de bron wordt geplaatst in een ruimte met actieve luchtafvoer. De lucht wordt aangezogen vanaf de voorkant (open), zodat de emissies de werkruimte niet kunnen binnendringen. Op basis van de werkplek en de blootstellingssituatie moet de juiste technische maatregel worden gekozen en geïnstalleerd.
Technische maatregelen kunnen alleen effectief zijn en blijven met goed onderhoud, reiniging en opleiding van de werknemers. De effectiviteit van technische maatregelen neemt na verloop van tijd geleidelijk af en faalt uiteindelijk helemaal zonder onderhoud. Soms lijken systemen te werken, terwijl slecht onderhoud in de feiten een effectieve werking verhindert.
In de praktijk: ventilatie
Ventilatie is een zeer geschikte collectieve maatregel om te komen tot een betere bescherming van de gezondheid van werknemers door een goede luchtkwaliteit in de werklokalen te bewerkstelligen. Onder werklokaal verstaan we een lokaal waar zich een werkpost bevindt. Kantoren zijn hiervan uiteraard typevoorbeelden, maar het kan ook gaan om vergaderzalen, labo’s, werkplaatsen in gesloten ruimten, klaslokalen, … De lucht in een afgesloten ruimte kan vanuit verschillende bronnen verontreinigd worden. De aanwezige mensen ademen een hoge concentratie CO2 en vocht uit. Maar ze produceren ook allerhande geurstoffen, huidschilfers, haartjes en stofdeeltjes. Uit de kledij en schoenen kunnen ook stoffen vrijkomen. Aanwezige personen kunnen ook virussen (bijvoorbeeld Influenza of RSV) of bacteriën verspreiden tijdens hun ziekte en in de fase voor het optreden van de symptomen. Bij slechte verluchting zal de concentratie aan micro-organismen in de lucht groter zijn om andere personen te besmetten dan in een goed verlucht werklokaal. Luchtvochtigheid speelt daarin ook een rol. Micro-organismen kunnen niet enkel infecties, maar ook allergische reacties veroorzaken. Slecht onderhouden installaties of ondoordachte recirculatie van lucht kunnen ook de verspreiding van micro-organismen in de hand werken.
Door toevoer van verse lucht zal de verontreiniging van de lucht in het arbeidsklimaat verdund worden en zal de binnenluchtkwaliteit stijgen. Voor het beoordelen van het risico op blootstelling aan slechte binnenluchtkwaliteit is het essentieel de hoeveelheid verse lucht te kennen per persoon die typisch in de ruimte aanwezig is (voor de beoordeling hiervan hanteert men de nominale bezetting). Zo zal worden voldaan aan de eisen van de codex over het welzijn op het werk, wanneer er een minimale ventilatie van 25 of 40 m3/u per persoon aanwezig is, afhankelijk van de aanwezigheid van verontreinigingsbronnen in de ruimte.
Mensen produceren (of gebruiken) allerhande geurstoffen, huidschilfers, haartjes en stofdeeltjes. Deze verontreiniging is moeilijk te meten. Aangezien ze parallel met CO2 stijgt wordt de CO2 concentratie als een indicator of proxy voor deze verontreiniging beschouwd. Mensen produceren immers ook CO2. De lucht die we inademen in de buitenomgeving bevat gemiddeld 400 ppm CO2. Hier staat ppm voor “parts per million”, ofwel het aantal deeltjes van een bepaalde stof (hier CO2) per miljoen deeltjes (bijvoorbeeld stikstofgas of zuurstofgas). De hoeveelheid CO2 die we produceren is vooral afhankelijk van het niveau van fysieke activiteit, maar verschilt ook volgens geslacht, leeftijd en lichaamsbouw. Een werknemer die zeer licht werk verricht produceert ongeveer 20 l/uur CO2.
In de tabel hieronder is de CO2 productie van een gemiddelde mannelijke werknemer per categorie van werkbelasting opgenomen (type van activiteiten en overeenstemmende nominale CO2 productie):
|
Werkbelasting |
Nominale CO2 productie (liter/uur per persoon) |
|---|---|
|
Zeer licht |
<20 |
|
Licht |
20-35 |
|
Half zwaar |
35-55 |
|
Zwaar |
55-70 |
|
Zeer zwaar |
>70 |
De meeste activiteiten op kantoor en in het algemeen in de tertiaire sector vallen onder het type zeer licht werk. Er wordt gerekend met een gemiddelde CO2-productie van 20 l/u per persoon om de te behalen debieten en CO2-niveaus te bepalen voor het in rekening brengen van de verontreinigingen door de aanwezige personen. In andere sectoren kunnen bepaalde activiteiten zwaarder zijn (bijvoorbeeld bij industriële processen), waarbij de CO2-productie door deze personen hoger ligt. Om de blootstelling aan biologische agentia in dit geval te beperken, is een hoger ventilatiedebiet aanbevolen, op basis van de tabel hierboven.
De codex over het welzijn op het werk eist dat de CO2-concentratie ‘gewoonlijk’ lager is dan 900 ppm (voor lokalen met mogelijke verontreinigingsbronnen), respectievelijk 1200 ppm (voor lokalen met aanzienlijk verminderde verontreinigingsbronnen). Met gewoonlijk bedoelen we 95% van de gebruikstijd, berekend over maximaal een volledige werkdag (8 uur), in de veronderstelling dat de buitenconcentratie 400 ppm bedraagt. Indien de buitenconcentratie niet gelijk is aan 400 ppm (bijvoorbeeld in een stedelijke of industriële omgeving) kan de werkelijke buitenconcentratie worden opgemeten en mogen de gemeten binnenconcentraties worden gecorrigeerd met het verschil tussen de werkelijke buitenconcentratie en 400 ppm.
Met “lokalen met aanzienlijk verminderde verontreinigingsbronnen” bedoelen we werklokalen waar de verontreinigingsbronnen werden uitgeschakeld of aanzienlijk werden verminderd. Om werkelijk te kunnen inschatten welke verontreinigingsbronnen aanwezig zijn in het lokaal en hoe groot de verontreiniging is die ze veroorzaken, zal een specifieke risicoanalyse inzake binnenluchtkwaliteit uitgevoerd moeten worden. Hierbij wordt er onder ander rekening gehouden met bronnen zoals:
- Verontreiniging door de aanwezige personen : productie CO2, productie van aerosolen die pathogenen bevatten, geurstoffen, huidschilfers, haartjes en stofdeeltjes, …
- Verontreiniging door aanwezige materialen en toestellen : oude documenten kunnen door veroudering en schimmelgroei geuren afgeven, schimmelgroei door vochtschade, bacteriegroei op afval, microbiologische verontreiniging van luchtbevochtigers, planten die schimmel-en bacteriegroei veroorzaken, …
- Verontreiniging gelinkt aan onderhoud van de werklokalen : bij onvoldoende reiniging van de vloer zal zich stof verspreiden, vooral bij vloertapijt, wat de groei van huisstofmijt kan bevorderen.
- Verontreiniging afkomstig van het ventilatie-, luchtbehandelings- en verwarmingssysteem : verontreiniging met schimmels en bacteriën kunnen voorkomen wanneer dergelijke systemen niet goed onderhouden of schoongemaakt worden.
De risicoanalyse van de binnenluchtkwaliteit in een werklokaal is dus ook verbonden met de specifieke werkzaamheden die op de arbeidsplaats gebeuren en zal daarom ook gelinkt zijn aan specifieke risico’s, zoals deze die verbonden zijn aan blootstelling aan biologische, chemische en fysische agentia. Voor een uitgebreide behandeling van binnenluchtkwaliteit kan de Praktijkrichtlijn “Binnenluchtkwaliteit in werklokalen” geraadpleegd worden.
Na de risicoanalyse zal men kunnen inschatten welke mate van ventilatie nodig is om een goede binnenluchtkwaliteit te kunnen garanderen. Het totaaldebiet van een werklokaal is dan afhankelijk van de bezetting en de categorie van de lokalen als volgt:
- lokaal met verminderde verontreiniging: minimum 25 m³/u per persoon;
- andere lokalen: minimum 40 m³/u per persoon.
Vereist totaaldebiet van een ruimte (m³/u) = debiet per type lokaal per persoon (m³/h per persoon) x nominale bezettingsgraad van de ruimte (aantal personen).

Diagram met een overzicht van enkele elementen/stappen inzake ventilatie en in welke omstandigheden deze moeten worden toegepast met het oog op het verkrijgen van betere binnenluchtkwaliteit in werklokalen.
Om te kunnen voldoen aan de eisen inzake luchtkwaliteit kan men technische maatregelen op het niveau van het gebouw en de technische installaties nemen, maar ook organisatorische maatregelen. De technische maatregelen, met name de installatie van een ventilatiesysteem, zijn een efficiënt middel om de luchtkwaliteit te controleren. De technische maatregelen hebben betrekking op het gebouw en de technische installaties ervan. Om de luchtkwaliteit in een gebouw te controleren, bestaat de belangrijkste maatregel erin om de verontreinigingsbronnen in het lokaal tot het strikte minimum te beperken. Vervolgens kan met de ventilatie de concentratie verontreinigingsbronnen binnen, die niet kunnen worden vermeden, onder controle houden. Er bestaan verschillende soorten ventilatiesystemen. Bij push ventilatie wordt lucht in een ruimte geblazen, wat zorgt voor een overdruk. Deze overdruk zorgt ervoor dat de lucht zich verspreidt in de ruimte en uiteindelijk naar buiten wordt geduwd. Bij pull ventilatie wordt lucht uit een ruimte gezogen, wat zorgt voor een onderdruk. Deze onderdruk zorgt ervoor dat verse lucht van buiten naar binnen wordt getrokken. In een ‘push en pull’ systeem worden deze twee methoden gecombineerd. Dit zorgt voor een efficiënte luchtstroom waarbij verse lucht continu wordt aangevoerd en vervuilde lucht wordt afgevoerd.
Om een voldoende luchtkwaliteit voor de gebruikers te verzekeren, is het aanbevolen in de eerste plaats het aantal verontreinigingsbronnen in het gebouw te beperken. Van deze verschillende verontreinigende stoffen kunnen de stoffen afkomstig van materialen aanzienlijk worden verminderd door te kiezen voor materialen die weinig schadelijke stoffen afgeven.
Verbetering van een bestaand ventilatiesysteem
Wanneer er een ventilatiesysteem aanwezig is maar een risicoanalyse aantoont dat het niet in staat is om aan de kwaliteitseisen te voldoen, kunnen een aantal verbeteringen aan het bestaande ventilatiesysteem worden overwogen. Allereerst moet de nominale bezetting van het lokaal worden bepaald, als dit nog niet is gebeurd, en eventueel worden aangepast op basis van de risicoanalyse. Met een gedetailleerde controle van de werking van het ventilatiesysteem kan men eventuele storingen (bijvoorbeeld defecte ventilatoren, lekken in de leidingen, kleppen defect, enzovoort) opsporen en herstellen. Met een nieuwe afregeling van het ventilatiesysteem kunnen de debieten eventueel worden gecorrigeerd binnen de grenzen van de capaciteit van het systeem. Als het systeem over een capaciteitsreserve beschikt en er hogere debieten nodig zijn, kunnen de debieten eventueel worden verhoogd. Er wordt ook een onderhoud van het systeem uitgevoerd afhankelijk van de behoeften: vervanging van de filters, reiniging van de leidingen, de ventilatoren, de warmtewisselaars, de verwarmings-, koelen bevochtigingsbatterijen, enzovoort. Bijvoorbeeld: beschrijving van een onderhoudsplan van een HVAC conform NBN EN 15780 (2011). Na de uitvoering van de verbeteringen aan het systeem worden de nieuwe prestaties gemeten (debieten, enzovoort) en gedocumenteerd. Een periodiek onderhoud maakt het vervolgens mogelijk de prestaties van het systeem in de tijd te waarborgen.
Installatie van een nieuw ventilatiesysteem
Wanneer er geen enkel ventilatiesysteem aanwezig is, wordt een actieplan voor de installatie van een ventilatiesysteem opgesteld. De installatie van een dergelijk systeem is meestal pas mogelijk bij grondige renovatiewerken en/of op het einde van een bezettingsperiode van het gebouw. Voor de uitvoering van een nieuw ventilatiesysteem zijn de aanbevelingen voor nieuwe gebouwen van toepassing (zie Praktijkrichtlijn “Binnenluchtkwaliteit in werklokalen” ) . Indien nodig kan het actieplan voorzien in de installatie van een ventilatiesysteem in meerdere fasen, gespreid in de tijd. Bijvoorbeeld: de installatie van een voorlopig vereenvoudigd of mobiel systeem of de installatie van een deel van het systeem in een eerste renovatiefase en afwerking van het systeem in een latere fase.