STOP volgt een hiërarchie van controle. Voor biologische agentia is een stap omlaag in de hiërarchie alleen toegestaan wanneer technische beperkingen u beletten de blootstelling volledig te elimineren. Hier richten we ons op het derde niveau, “O”, dat staat voor organisatorische maatregelen.

In het algemeen kan gesteld worden dat organisatorische maatregelen ingrijpen op de plaats, tijd en kennis van de werknemers die in aanraking kunnen komen met biologische agentia. Alle maatregelen zijn gericht op het minimaliseren van de blootstelling van werknemers aan gevaarlijke biologische agentia in aanvulling op de reeds toegepaste technische maatregelen. Voorbeelden van deze soorten van maatregelen omvatten:

  • Beperking van het aantal aanwezige werknemers op de werkvloer of het aantal werknemers die langere tijd in eenzelfde ruimte moeten werken. Dit is zeer belangrijk en zeer effectief om de gezondheid van werknemers te beschermen en absenteïsme tegen te gaan, tijdens seizoensgebonden circulatie van ziekteverwekkers zoals virussen (bijvoorbeeld Influenza en RSV) in de winter of tijdens periodes van hoge circulatie van bepaalde pathogenen (niet altijd afhankelijk van seizoenaliteit) zoals virussen als SARS-CoV-2 die afgeleid kunnen worden door de epidemiologische monitoring. Hierbij is telewerk een eenvoudige en zeer efficiënte manier om mogelijke overdracht van pathogenen te beperken.
  • Speciale werkruimtes voor bepaalde (gevaarlijke) werkzaamheden en processen.
  • Beperking van het aantal en welke personen die specifieke werkruimtes mogen betreden waar bijvoorbeeld met biologische agentia wordt gewerkt (bijvoorbeeld een laboratorium of ruimte met reactorvat) of waar blootstelling aan gevaarlijke biologische agentia meer waarschijnlijk is (bijvoorbeeld een archiefruimte met oude documenten of een onderhoudsruimte van het ventilatiesysteem).
  • Regelmatige en aangepaste opleiding van werknemers over hoe op een veilige manier met biologische agentia gewerkt moet worden of hoe de blootstelling en/of overdracht aan biologische agentia op de werkvloer vermeden of verminderd kan worden.
  • Het beschikbaar stellen van instructiedocumenten voor de werkplek voor het vermijden en verminderen van blootstelling en overdracht van biologische agentia.
  • Correcte etikettering met waarschuwingen op specifieke producten die gevaarlijke biologische agentia kunnen bevatten of hiermee besmet kunnen zijn.
  • Correcte aanduiding van specifieke gevaren bij betreden van werkruimte. Dit kan door het gebruik van het symbool voor biologisch gevaar.
  • Ploegroulatie om de tijd die met biologische agentia wordt doorgebracht te beperken
  • Visuele technieken zoals kleurgecodeerde routes en zones in werkruimten om gevaarlijke plaatsen met een grotere kans op blootstelling aan te geven of net de meest veilige doorgang met de minste kans op blootstelling makkelijk aan te kunnen houden.
  • Genoeg en aangepaste faciliteiten, die volledig gescheiden zijn van de werkruimtes, om zich te kunnen omkleden, wassen, eten/drinken en roken.

In de praktijk: Telewerk

Telewerk is één van de meest effectieve maatregelen om de overdracht van biologische agentia tussen werknemers onder elkaar of tussen werknemers en derden te voorkomen. Wanneer een werknemer aan telewerk doet, en dus niet in contact komt met collega’s of andere personen (bijvoorbeeld klanten of andere pendelaars), zou de blootstelling aan biologische agentia door overdracht tussen mensen, in het kader van de uitvoering van zijn werk, herleid kunnen worden tot nul. Dit maakt het theoretisch gezien een nog efficiëntere preventiemaatregel dan bijvoorbeeld goede ventilatie op de arbeidsplaats, weliswaar enkel voor de tijdspanne van het telewerk, omdat er zelfs bij goede binnenluchtkwaliteit nog altijd een zeker risico blijft bestaan. Hierbij wordt natuurlijk verondersteld dat de werknemer werkzaamheden zoals beeldschermwerk verricht zonder te werken met of te worden blootgesteld aan biologische agentia tijdens het uitvoeren van zijn werk. Mogelijke blootstellingen die geen gevolg zijn van het uitvoeren van het werk, zoals het oplopen van een besmetting via familie of vrienden in de privésfeer, worden hier buiten beschouwing gelaten.

Het is wetenschappelijk aangetoond dat telewerk de gezondheid van werknemers beschermt omdat het meestal het aantal interpersoonlijke contacten beperkt en daardoor ook de kans op besmetting met een pathogeen. Bovendien is er aangetoond dat telewerk een significante impact heeft op het absenteïsme in het kader van het werk, net doordat werknemers via hun werk minder worden blootgesteld aan pathogenen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat telewerk meermaals werd aangeraden en verplicht tijdens het verloop van de coronapandemie, namelijk omdat het een zeer efficiënte preventiemaatregel is om transmissie van ziekteverwekkers in te perken.

Ook buiten de context van een pandemie of epidemie is telewerk nog steeds een zeer goede maatregel om werknemers te beschermen tegen blootstelling aan ziekteverwekkers. We zien echter dat in de praktijk (de mogelijkheid tot) telewerk op vele arbeidsplaatsen zeer drastisch werd teruggeschroefd na de meest gevaarlijke periode van de COVID-19 gezondheidscrisis.

Een meer flexibele toepassing van telewerk die onder meer afgestemd is op monitorgegevens van de mate van circulatie van ziekteverwekkers in de maatschappij zou vele voordelen bieden, niet alleen voor de gezondheid van werknemers, maar ook voor de continuïteit van de werkzaamheden van bedrijven die dit toepassen. Concreet kunnen bepaalde regimes van telewerk toegepast worden afhankelijk van de concrete omstandigheden of mate van circulatie van pathogenen in de maatschappij. Deze omstandigheden kunnen enerzijds seizoensgebonden zijn, op basis van seizoensgebonden circulatie van ziekteverwekkers zoals virussen (bijvoorbeeld Influenza en RSV) in de winter of, anderzijds, tijdens periodes van hoge circulatie van bepaalde pathogenen (niet altijd afhankelijk van seizoenaliteit), zoals virussen als SARS-CoV-2 die afgeleid kunnen worden door de epidemiologische monitoring.

Afhankelijk van de epidemiologische situatie waarin men zich bevindt, kan men het telewerkregime in de onderneming aanpassen om het risico op blootstelling aan pathogenen op een adequaat niveau te houden: de duur (tijdsduur en frequentie) van de blootstelling regelen in functie van de mate (concentratie), met name de mate van circulatie van bepaalde ziekteverwekkers onder de algemene bevolking. Concreet betekent dit dat wanneer er hoge circulatie is van bepaalde ziekteverwekkers, het aantal telewerkdagen kan worden opgetrokken om het risico op blootstelling gelijk te houden of zelfs te verminderen. De monitoring van de epidemiologische situatie van enkele veelvoorkomende pathogenen in België wordt verzorgd door Sciensano en kan worden opgevolgd op de website van Sciensano via een dashboard van statistieken over Belgische infectieziekten (EPISTAT) en een wekelijks wetenschappelijk bulletin over evolutie van de acute luchtweginfecties in België.

Een ander belangrijk element in dit verhaal is dat, naast de collectieve richtlijnen in een bedrijf, ook de individuele werknemer de vrijheid heeft om deze maatregel in specifieke gevallen toe te passen. Dit is belangrijk in situaties waar de werknemer ziek is en hij door toch naar het werk te gaan mogelijk andere werknemers kan besmetten en daarom kan aangeven dat hij die dag(en) zal telewerken. Dit kan echter enkel werken wanneer er in de onderneming een voldoende open klimaat is gecreëerd zodat de werknemer zich comfortabel genoeg voelt om dit aan zijn hiërarchische lijn te communiceren en weet dat de werknemer hier geen negatieve gevolgen van zal dragen. In de praktijk kan dit voorkomen in gevallen dat de huisarts van de werknemer bevestigt dat hij ziek/besmettelijk is en nog in staat is om te blijven werken, maar eveneens in de situatie waar de werknemer aangeeft, door het hebben van symptomen (bijvoorbeeld hoesten, niezen, snotteren, …), ziek te zijn zonder dat daar steeds een attest voor nodig is. Het creëren van een dergelijk klimaat inzake telewerk/thuiswerk is dan ook positief voor de ondernemingen die dit toepassen, aangezien minder werknemers het risico lopen om besmet te worden via collega’s en omdat zo het absenteïsme daalt, zoals reeds is bevestigd in studies die deze wisselwerking onderzocht hebben. Deze manier van schakelen tussen werken op de arbeidsplaats en telewerk is natuurlijk enkel mogelijk wanneer er een goed werkend kader is van telewerken in de ondernemingen, met name voorzien van aangepast ergonomisch materiaal en goede afspraken (richtlijnen) tussen de werknemer en de hiërarchische lijn zodat iedereen weet wat wel of niet verwacht wordt.

Een praktisch hulpmiddel om (incidenteel) telewerk mogelijk te maken en te voorkomen dat werknemers naar de werkplaats komen ook al zijn ze ziek, is door zoveel mogelijk collectieve activiteiten (zoals teamvergaderingen) online toegankelijk te maken. Door vergaderingen telkens van een optie te voorzien om online deel te nemen, zullen werknemers zich minder verplicht voelen om ziek/met symptomen naar het werk te komen en anderen te besmetten.

Er moet echter worden opgemerkt dat telewerk ook bepaalde risico’s met zich kan meebrengen. Zoals musculoskeletale aandoeningen (MSA) en psychosociale risico’s. Meer informatie over deze risico’s en telewerk, met aanbevelingen voor werkgevers (van verplichtingen tot tips inzake organiseren van telewerk) en werknemers (aanbevelingen rond telewerk), is te vinden in het uitgewerkt thema   Telewerk .

  • Parlementaire vragen

  • 2820/1-7 Kamer - Wetsontwerp betreffende de verbetering van de binnenluchtkwaliteit in gesloten plaatsen die publiek toegankelijk zijn

  • 872 Kamer - Kwaliteit van de werkomgeving in het politiekantoor te Montigny-sur-Sambre

  • Kamer – Actualiteitsdebat op 8 mei 2020 over de coronaviruscrisis - Het toezicht op de naleving van de maatregelen door de bedrijven

  • Kamer – Actualiteitsdebat op 8 mei 2020 over de coronaviruscrisis - Parlementaire vragen over de generieke gids tegen de verspreiding van COVID-19 op het werk

  • Kamer – Actualiteitsdebat op 8 mei 2020 over de coronaviruscrisis - De categorisering van COVID-19 in de lijst van biologische agentia

  • Kamer – actualiteitsdebat op 8 april 2020 over de coronaviruscrisis en de impact op de werkgelegenheid

  • 22885, 22905, 23792 Kamer - Longziekten bij schoonmaakpersoneel

  • 20579 en 20580 Kamer - Het abnormaal hoge aantal zieken bij Clarebout Potatoes

  • Richtlijn biologische agentia en welzijn op het werk in centra met opvang van wilde dieren (FOD Werkgelegenheid – België – 2025)

    De opvang van wilde dieren brengt specifieke uitdagingen met zich mee voor het welzijn en de veiligheid van werknemers. Bij contact met vogels of andere dieren kan blootstelling aan biologische agentia optreden, waaronder zorgwekkende zoönosen zoals het vogelgriepvirus. Om werknemers te beschermen en risico’s te beheersen stelt de FOD Werkgelegenheid deze richtlijn ter beschikking.

    De richtlijn biedt een duidelijk kader voor risicoanalyse en preventiemaatregelen bij blootstelling aan biologische agentia. Ze geeft praktische handvatten voor opvangcentra, met aandacht voor intake en triage, technische voorzieningen en organisatorische maatregelen en persoonlijke beschermingsmaatregelen.

    Met deze richtlijn ondersteunt de FOD Werkgelegenheid opvangcentra en andere betrokkenen bij het uitwerken van een veilig en doeltreffend welzijnsbeleid. Dit gebeurt steeds in lijn met de bevoegdheden van de toezichthoudende inspectiediensten, die de autonomie behouden om concrete situaties te beoordelen en waar nodig in te grijpen. Het doel is een veilige werkomgeving waarin risico’s systematisch worden voorkomen of tot een zo laag mogelijk niveau worden teruggebracht.

    Download de Richtlijn biologische agentia en welzijn op het werk in centra met opvang van wilde dieren (PDF, 611 KB).