Gunter kreeg de kans om in het gerenommeerde wetenschappelijke tijdschrift ‘Nature’ een bijdrage te leveren over de 113de Internationale Arbeidsconferentie, waar het internationaal kader officieel werd bekrachtigd. Zijn Engelstalig artikel is te lezen op de website van ‘Nature’: Protection from biological hazards at work arrives at last.
In dit interview gaan we met Gunter dieper in op het belang van regelgeving en internationale arbeidsnormen om werknemers te beschermen tegen de risico’s van biologische gevaren in nasleep van de aanname van de allereerste internationale arbeidsnormen over biologische gevaren aangenomen tijdens de 113de Internationale Arbeidsconferentie.

Een internationaal instrument met een grote impact
BeSWIC: Gunter, kun je ons in je eigen woorden vertellen waar deze nieuwe arbeidsnormen eigenlijk over gaan en hoe ze tot stand zijn gekomen?
Gunter: Zeker. We hebben de voorbije jaren met meer dan 180 landen en verschillende werknemers-en werkgeversorganisaties onderhandeld over een wereldwijde arbeidsnormen inzake de bescherming van werknemers tegen biologische gevaren. Op 13 juni zijn deze arbeidsnormen, een Conventie aangevuld met een Aanbeveling, officieel aangenomen tijdens de Internationale Arbeidsconferentie in Genève. Deze juridische instrumenten vormen nu het internationaal kader voor de bescherming van werknemers met betrekking tot biologische gevaren. De bedoeling is dat dit leidt tot veiligere arbeidsomstandigheden op de werkvloer.
BeSWIC: Ik begrijp dat dit een grote vooruitgang is wat betreft internationale arbeidsnormen op wereldniveau. Klopt het dat dit de eerste instrumenten zijn die over biologische gevaren gaan?
Gunter: Inderdaad, het belang van deze arbeidsnormen mag niet onderschat worden. Dit Verdrag is het eerste bindende internationale instrument dat biologische gevaren in de werkomgeving op mondiale schaal specifiek en omvattend aanpakt. Er was tot nu toe maar één internationale Aanbeveling die over biologische gevaren ging, namelijk die over Antrax uit 1919. Buiten dat instrument van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) bestond er dus helemaal niets dat specifiek biologische gevaren op de werkvloer behandelde, wat opmerkelijk is aangezien miljoenen werknemers elke dag blootgesteld worden aan biologische gevaren.
BeSWIC: Kan je die impact op werknemers wat concreter maken?
Gunter: Er werd recent een studie uitgevoerd in opdracht van de IAO die de impact van biologische gevaren in de werkomgeving in kaart moest brengen. Deze studie schat in dat blootstelling aan biologische risico’s in 2021 heeft bijgedragen aan ongeveer 550.000 sterfgevallen wereldwijd. Dat is goed voor 9,8% van alle werkgerelateerde overlijdens. Daarnaast gingen gemiddeld 584 gezonde levensjaren verloren per 100.000 werknemers. Dezelfde studie schat ook dat het gebrek aan preventie van biologische risico’s jaarlijks leidt tot een wereldwijd economisch verlies van 0,58% van het bruto binnenlands product (bbp), wat neerkomt op ongeveer 548 miljard Amerikaanse dollar. Deze cijfers onderschatten waarschijnlijk nog de echte impact, onder andere door een gebrek aan gedetailleerde gegevens en onderrapportering van de werkelijke gevolgen.
De lange weg naar en het belang van bindende arbeidsnormen
BeSWIC: De impact van biologische gevaren is groot, maar hoe komt het dan dat het zo lang heeft geduurd voordat deze instrumenten er kwamen?
Gunter: Een goede vraag, maar het antwoord is complex. Dit heeft te maken met het feit dat het onderwerp biologische gevaren in de voorbije decennia, buiten even tijdens de COVID-19-pandemie natuurlijk, maar weinig aandacht heeft gekregen in het kader van welzijn op het werk. Totaal onterecht natuurlijk. Ik denk dat dit deels te maken heeft met de manier waarop er naar biologische gevaren zoals virussen en bacteriën gekeken wordt en wie hier verantwoordelijk voor wordt geacht.
Er is volgens mij te lang van uitgegaan dat beleid rond pathogenen de verantwoordelijkheid was van volksgezondheid, bijgevolg niet meteen te maken heeft met het welzijnsbeleid in een onderneming en dus onder de verantwoordelijkheid van de werkgever valt. De enige uitzondering vinden we misschien in zeer specifieke sectoren zoals ziekenhuizen en laboratoria, waar er met pathogenen wordt gewerkt.
Deze visie was natuurlijk fout en dat heeft onze ervaring met COVID-19-pandemie ook duidelijk en feitelijk aangetoond. Zo werd het duidelijk dat de overdracht van biologische gevaren, met name van bijvoorbeeld respiratoire ziekteverwekkers zoals SARS-CoV-2, in quasi iedere werkomgeving kan gebeuren, ook wanneer die onderneming geen expliciete link heeft met virussen of bacteriën. Wat meer is, de ervaringen tijdens de pandemie heeft meermaals aangetoond dat wetenschappelijk ondersteunde preventiemaatregelen op de arbeidsplaats het risico op besmetting significant kunnen doen dalen. Dit toont aan dat een werkgever door een goed welzijnsbeleid wel degelijk het verschil kan maken in het beschermen van zijn medewerkers.
BeSWIC: Maar wat is er dan veranderd? Hoe komt het dan dat er nu opeens wel een internationaal kader is? Is dit enkel en alleen door de COVID-19 pandemie en de gevolgen die deze heeft gehad op ondernemingen?
Gunter: De COVID-19-pandemie is inderdaad één belangrijk element geweest in de totstandkoming van deze arbeidsnormen. Dit wordt trouwens uitdrukkelijk vermeld door het bestuursorgaan van de IAO tijdens zijn 341e zitting van maart 2021, toen het besloot om discussies te organiseren tijdens de 112de en 113de zitting (2024-2025) van de Internationale Arbeidsconferentie over de bescherming van de veiligheid en de gezondheid op het werk tegen biologische gevaren.
Ik wil wel benadrukken dat deze arbeidsnormen, ook al bevatten ze expliciete bepalingen over de te nemen maatregelen tijdens uitzonderlijke omstandigheden, zoals een pandemie, hun doel veel breder en verregaander is. Ze leggen met name duidelijke juridische principes vast op basis waarvan nationale autoriteiten en werkgevers continu maatregelen moeten nemen om het recht van werknemers op een veilige en gezonde werkomgeving met betrekking tot biologische gevaren te vrijwaren.
BeSWIC: De COVID – pandemie is één element; zijn er dan ook andere?
Gunter: Volgens mij wel. Een belangrijk element dat volgens mij heeft bijgedragen aan de totstandkoming van deze arbeidsnormen, is dat het recht op een veilige en gezonde werkomgeving sinds 2022 erkend is als een fundamenteel arbeidsrecht binnen de IAO. Waar er voorheen vier fundamentele arbeidsrechten waren – vrijheid van vereniging, het verbod op gedwongen arbeid, de afschaffing van kinderarbeid en het verbod op discriminatie – is daar nu een vijfde bijgekomen. Die erkenning kwam er niet van vandaag op morgen, maar is het resultaat van jarenlang internationaal engagement om welzijn op het werk hoger op de agenda te plaatsen. In die zin zie ik de ontwikkeling van deze normen over biologische gevaren echt als een uiting van dat sociale momentum.
Het verschil tussen Conventie en Aanbeveling
BeSWIC: Ik denk dat het nu wel duidelijk is wat het belang van deze normen zijn, maar wat staat er nu concreet in deze Conventie en Aanbeveling? En wat is eigenlijk het verschil tussen deze twee?
Gunter: Heel kort samengevat: de Conventie is het juridisch bindende instrument. Landen die dit verdrag ratificeren, zijn verplicht om het om te zetten in nationaal beleid. De Aanbeveling daarentegen is niet bindend, maar speelt een aanvullende rol: ze verduidelijkt bepaalde bepalingen en biedt extra richtsnoeren voor de uitvoering van de Conventie. Samen zorgen ze voor een stevig en evenwichtig kader.
Dit kader dient dus niet alleen om met virussen en bacteriën om te gaan tijdens een pandemie, maar is toepasbaar op alle omstandigheden en alle werkomgevingen waarbij er blootstelling is aan biologische gevaren. Bovendien gaat het niet enkel om microbiologische gevaren zoals virussen en bacteriën, maar ook over gevaarlijke stoffen afkomstig van planten en dieren. Aan de hand van deze definitie van biologische gevaren, bevatten de arbeidsnormen concrete bepalingen omtrent de belangrijkste elementen van het nationale beleid, waaronder de beginselen van preventieve en beschermende maatregelen, bepalingen inzake dataverzameling en voorzieningen voor arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Daarnaast worden de plichten en verantwoordelijkheden van werkgevers en de rechten en plichten van werknemers verduidelijkt.
BeSWIC: Welke invloed heeft dit op onze Belgische en Europese wetgeving?
Gunter: In wezen verwacht ik weinig invloed op onze bestaande Belgische en Europese wetgeving, aangezien we al een uitgebreid kader hebben om werknemers tegen biologische gevaren te beschermen, wat bij ons onder 'biologische agentia' valt. De nieuwe Conventie breidt de definitie echter iets uit: terwijl de EU en België vooral kijken naar microbiologische entiteiten – zoals virussen, bacteriën en schimmels – omvat de nieuwe definitie ook irriterende, allergene en toxische stoffen afkomstig van planten en dieren. Dit betekent dat zaken als slangenbeten, insectensteken of plantenstoffen die ziekten kunnen veroorzaken, nu formeel als biologische gevaren worden erkend. Hoewel dat een aanpassing van onze definitie vraagt, zullen de praktische gevolgen beperkt zijn. Werkgevers zijn immers nu al verplicht de algemene gezondheid van werknemers te beschermen, zoals vastgesteld in de Europese kaderrichtlijn en de Welzijnswet van 1996, en verschillende plantenstoffen vallen al onder de regelgeving inzake chemische agentia.
BeSWIC: Dus een andere definitie, dat is het enige dat echt verandert?
Gunter: In wezen blijven de algemene principes en bepalingen gelijk, want die staan al in onze wetgeving. Wat de conventie wel toevoegt, is een expliciete focus op het systematisch registreren, verzamelen en publiceren van gegevens over biologische gevaren.
Concreet houdt dit in dat arbeidsongevallen, beroepsziekten en gevaarlijke voorvallen als gevolg van blootstelling aan biologische gevaren moeten worden gemeld, zodat er jaarlijks betrouwbare statistieken kunnen worden opgesteld.
Dit is essentieel, omdat we op dit moment maar weinig weten over de werkelijke impact van deze gevaren op de gezondheid van werknemers in België. Zo is de studie die ik eerde vermelde over de 550.000 wereldwijde sterfgevallen ten gevolge van blootstelling aan biologische gevaren grotendeels gebaseerd op schattingen, juist omdat er te weinig kwalitatieve data beschikbaar is. Het wegwerken van deze blinde vlek is dus van groot belang.
BeSWIC: De impact voor België en de EU ligt vooral in het verruimen van het toepassingsgebied door een bredere definitie van biologische agentia en in het aanscherpen van het verzamelen en rapporteren van data. Wat betekent deze conventie dan voor landen zonder uitgewerkt welzijnsbeleid rond biologische agentia?
Gunter: Voor die landen zal deze conventie een enorme impact hebben: na ratificatie moeten ze hun nationale wetgeving inzake de bescherming van werknemers tegen biologische agentia herzien en hun arbeidsinspecties ondersteunen om gespecialiseerd toezicht uit te oefenen. Werkgevers en werknemers moeten actief betrokken worden bij het inrichten van veilige werkomgevingen en er moet een dekkend systeem komen voor vergoedingen bij ongevallen en ziekten door biologische agentia.
Hoewel dit een omvangrijke opgave is, waren deze landen tijdens de onderhandelingen vaak juist de voortrekkers van een breed en doortastend kader. Daardoor heeft de conventie het potentieel om wereldwijd de bescherming van miljoenen werknemers tegen biologische gevaren te versterken.
Het evenwicht zoeken in ieders belang
BeSWIC: Je was niet enkel vertegenwoordiger van de Belgische overheid, maar ook spokesperson voor de hele Europese Unie en dus alle lidstaten. Kan je verduidelijken hoe die je die dubbele rol opnam?
Gunter: Als vertegenwoordiger van alle Europese lidstaten tijdens de onderhandelingen was het mijn opdracht om de eisen en de gevoeligheden van elke lidstaat afzonderlijk te kennen en mee te nemen naar de discussies, maar uiteraard om dit als een duidelijke en krachtige eis te vertolken tijdens de plenaire vergadering.
Je kan dus zeggen dat er twee grote aspecten waren aan deze opdracht, namelijk enerzijds tijdens de voorbereidende vergaderingen naar ieders input en dit omvormen tot een duidelijk amendement of stellingnamen en anderzijds tijdens de discussies in de plenaire zittingen met andere landen en werknemers-en werkgeversorganisaties, zorgen dat de Europese belangen verdedigd worden en zo onze eisen worden binnengehaald.
BeSWIC: Dat lijkt me een hele opdracht, want je moet natuurlijk ook nog de Belgische belangen vertegenwoordigen.
Gunter: Dat is zeker zo en ik denk zeker dat het gelukt is om die Belgische belangen te verdedigen, maar ik had natuurlijk ook dus de opdracht om de EU als één stem te laten spreken tijdens deze onderhandelingen. Bovendien zit je daar ook als wetenschappelijk expert, maar moet zit je natuurlijk ook constant te onderhandelen over juridische teksten en zit je tussendoor ook nog eens met andere landen of landenblokken of met de werkgevers-en werknemersorganisaties te onderhandelen om genoeg steun te krijgen om de EU-amendementen in de definitieve tekst te krijgen…
Het was pittig, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat en onder tijdsdruk, want de tekst moest gestemd worden aan het einde van de conferentie. Maar gelukkig is alles goed gekomen.
BeSWIC: Ben je tevreden met het resultaat?
Gunter: Zeker, ik denk dat we erin geslaagd zijn om de Belgische en Europese eisen goed te verwerken in de definitieve tekst. Dat zie je bijvoorbeeld heel goed aan de rol die we hebben gespeeld in het vinden van een consensus rond de definitie, de afbakening van het toepassingsgebied en de identificatie van categorieën van werknemers die extra bescherming moeten krijgen. Al bij al denk ik dat we iets historisch hebben gemaakt, de allereerste Conventie met Aanbeveling die het wereldwijde kader verstrekt inzake de bescherming van werknemers tegen biologische gevaren.
BeSWIC: Dat is zeker een mooi eindresultaat. Gefeliciteerd met je geleverde werk!
