De COVID-19-uitbraak zorgde voor een plotse maar misschien kortstondige bewustwording over de noodzaak aan bescherming van werkenden tegen blootstelling aan biologische agentia. Nochtans is elke werkgever steeds verplicht om deze risico’s in te schatten, te evalueren en gepaste preventiemaatregelen te nemen.
Om de risico’s van werknemers beter te begrijpen en preventief aan de slag te kunnen gaan, bood het programma van de studievoormiddag een gelegenheid om met experten in te zoomen op biologische risico’s in specifieke arbeidssituaties: vogelgriep in de vogelopvangcentra, prikongevallen in de zorgsector en de tijgermug in brouwerijen. De collega’s van Algemene Directie Humanisering van de Arbeid van de FOD Werkgelegenheid sloten af met de vraag hoe we alert kunnen zijn voor toekomstige ongekende virussen die een impact kunnen hebben op elke werkvloer.
U vindt de presentaties van de studievoormiddag op de evenementenwebsite van de FOD Werkgelegenheid: Van vogelgriep tot tijgermuggen: hoe de gezondheid op het werk beschermen? - studievoormiddag over biologische agentia.
In dit artikel geeft u een overzicht van de sprekers en onderwerpen die aan bod kwamen.
Gunter Kathagen (FOD Werkgelegenheid): inleiding
Gunter Kathagen, wetenschappelijk expert bij de FOD Werkgelegenheid, schetste aan het begin van de dag een beeld van het belang van de aanpak van biologische risico’s op de werkvloer. Hij haalde daarbij niet enkel de verschillende onderwerpen van de dag aan, maar wees ook op het belang van een gedegen risicoanalyse op alle werkplekken. Biologische agentia, zoals virussen, bacteriën en schimmels, zijn namelijk alomtegenwoordig op de werkplek. Vaak onzichtbaar, maar met een enorme impact op de gezondheid van werknemers. Binnen het domein van welzijn op het werk zijn deze risico’s echter jarenlang onterecht onderbelicht gebleven. Onbekend en onbemind bij werkgevers, preventieadviseurs en zelfs arbeidsartsen.
Gunter wees tijdens zijn uiteenzetting op het belang van het opnemen van deze risico’s in de risicoanalyse, om op die manier gepaste preventiemaatregelen te nemen en duurzame bescherming van werknemers te garanderen. Preventie is niet enkel een wettelijke verplichting juridisch, maar ook heeft ook economisch en maatschappelijk nut. Blootstelling kan immers leiden tot uiteenlopende gezondheidsproblemen, van kortdurende infecties tot ernstige of zelfs fatale gevolgen. Infectieziekten zijn dan ook een belangrijke oorzaak van ziekteverzuim. Gunter benadrukte dat wetenschappelijk onderbouwde maatregelen op de werkvloer het besmettingsrisico aanzienlijk kunnen verlagen.
Preventie op de werkplek beschermt niet alleen werknemers, maar beperkt ook verspreiding naar de bredere gemeenschap. De oproep van Gunter is duidelijk: veranker biologische agentia als kernelement in het welzijnsbeleid en werk samen aan kennisdeling en duurzame bescherming van werknemers. Om dit doel mee te bewerkstelligen kreeg het BeSWIC-thema rond Biologische agentia een grondige update en ontwikkelde de FOD Werkgelegenheid ook een praktische brochure.
Muriel Vervaeke (Agentschap Natuur en Bos): Vogelgriep in vogelopvangcentra
Vogelgriep is een van die biologische agentia die in bekendheid wint door de exponentiele snelheid waarmee het (voornamelijk) de vogelpopulatie treft. Maar ook mensen lopen risico’s wanneer ze in contact komen met dieren die drager zijn van het virus. Een van de plekken waar men met dit risico geconfronteerd wordt, zijn de vogelopvangcentra.
Muriel Vervaeke, specialist in de materie bij het Vlaams Agentschap Natuur en Bos, kwam tijdens de studievoormiddag een beeld schetsen van de werking van de vogelopvangcentra (VOC) in Vlaanderen en hoe men te werk gaat bij de bestrijding van biologische risico’s op de werkvloer.
Muriel Vervaeke begon haar uiteenzetting met een geschiedenis van het ontstaan van de VOC’s in de jaren ’70 en de evolutie tot nu: van een door vrijwilligers opgezette structuur ter rehabilitatie van vogels tot een plek van educatie en sociale tewerkstelling. In de werking van de VOC’s speelt natuurbehoud, volksgezondheid en diergezondheid een toenemende belangrijke rol, met een essentiële taak naar ziektebewaking van wilde fauna.
De VOC’s, die nog steeds voornamelijk dankzij vrijwilligers functioneren, werken binnen een onduidelijk wettelijk kader, waardoor de structuren voor de aanpak van risico’s en de nodige risicoanalyses vaak ontbreken. Er is een grote noodzaak aan professionalisering, niet enkel door de risico’s voor het dierenwelzijn, maar ook door het potentieel risico voor de volksgezondheid. In haar presentatie deed Muriel Vervaeke een aantal suggesties voor een betere ondersteuning, de uitbouw van de VOC’s en de voorbereiding op een eventuele zoönotische omslag.
Aan het einde van de presentatie stelde Gunter Kathagen een Richtlijn biologische agentia en welzijn op het werk in centra met opvang van wilde dieren voor, die de FOD Werkgelegenheid ontwikkelde ter ondersteuning van de vogelopvangcentra.
Gracia Muzigasi (Arts sociaal inspecteur FOD Werkgelegenheid), Carol Destray (Preventieadviseur, Europa Ziekenhuizen) en Thérèse Verschoore (Verpleegkundige, Europa Ziekenhuizen): Prikongevallen in ziekenhuizen en biologische agentia in laboratoria
Carol Destray en Thérèse Verschoore brachten tijdens hun presentatie een praktijkgericht beeld van de realiteit van prikongevallen in ziekenhuizen. Vanuit hun dagelijkse praktijk in de Europa Ziekenhuizen toonden ze hoe vaak zorgverleners, maar ook ondersteunende diensten zoals schoonmaak, wasserij en afvalophaling, worden blootgesteld aan accidentele bloedcontacten. Prikongevallen vormen dan ook een van de meest voorkomende biologische risico’s in de zorgsector, met een aanzienlijk potentieel voor overdracht van ernstige infectieziekten.
Aan de hand van recente cijfers en ervaringen uit het ziekenhuiswezen maakten ze duidelijk dat de werkelijke omvang van het probleem nog steeds onderschat wordt. Een groot deel van de incidenten wordt immers niet gemeld, waardoor het risico op herhaling en structurele onderschatting van de blootstelling reëel blijft. De impact van een prikongeval gaat bovendien verder dan de directe fysieke en infectueuze gevolgen: ook de psychologische risico’s voor werknemers is aanzienlijk, met gevoelens van angst, onzekerheid en stress die vaak nog lang nazinderen.
Carol Destray en Thérèse Verschoore benadrukten dat preventie in de eerste plaats steunt op een combinatie van veilige werkmethoden, correcte procedures en het gebruik van beveiligd medisch materiaal. Uit hun praktijkervaring blijkt dat de introductie van veiligheidssystemen, zoals beveiligde katheters en naalden, het aantal prikongevallen drastisch kan verminderen, op voorwaarde dat deze materialen correct worden gebruikt en dat personeel voldoende (blijvend) wordt opgeleid. Toch blijven structurele uitdagingen bestaan: stockbreuken, tijdsdruk, hoge werkbelasting en een voortdurend personeelsverloop bemoeilijken een consequente toepassing van preventiemaatregelen.
Daarnaast stonden Carol Destray en Thérèse Verschoore stil bij de opvallende verschillen in de uitrol van veilig medisch materiaal tussen België en Nederland. Uit recente sectorgegevens blijkt dat Nederland de voorbije jaren veel sneller is overgeschakeld op beveiligde naalden en katheters. Waar in België in 2023 slechts een vijfde van de gebruikte naalden beveiligd was, lag dat aandeel in Nederland boven de twee derde. Ook voor perifere katheters loopt Nederland duidelijk voorop, met meer dan 90% veilig materiaal tegenover ongeveer 70% in België. Deze kloof illustreert dat de implementatie van veiligheidssystemen in België trager verloopt, ondanks het bewezen effect op het terugdringen van prikongevallen. De sprekers benadrukten dat deze internationale vergelijking aantoont dat verdere investeringen, opleiding en beleidsmatige ondersteuning noodzakelijk zijn om ook in België tot een brede en consequente toepassing van veilig materiaal te komen.
Tot slot riepen Carol en Thérèse op tot blijvende sensibilisering, regelmatige vorming en een cultuur waarin melden vanzelfsprekend is. Alleen door een combinatie van technische, organisatorische en menselijke maatregelen kan de zorgsector evolueren naar een werkomgeving waarin prikongevallen tot een minimum worden beperkt en werknemers duurzaam beschermd blijven tegen biologische risico’s.
Enkele kerncijfers rond prikongevallen in België, zoals ze werden voorgesteld door Gracia Muzigasi van de FOD Werkgelegenheid:
- voor de periode 2003–2009: 4.905 geregistreerde accidentele bloedcontacten (ABC’s) in de Belgische ziekenhuizen;
- incidentiegraad: 8,4 prikongevallen per 100 ziekenhuisbedden;
- 64% van de slachtoffers zijn verpleegkundigen.
Veel van de prikongevallen worden echter niet gerapporteerd, waardoor de reële cijfers veel hoger liggen.
Gracia lichtte verder de relevante bepalingen in de Welzijnswet en de Codex over het welzijn op het werk toe. U vindt de relevante informatie in haar presentatie en een overzicht in volgende tabel:
|
Afdeling |
Artikel |
Onderwerp |
Inhoud |
|
Afdeling 1 — Toepassingsgebied |
Art. VII.1-25 |
Toepassingsgebied |
Van toepassing op werkgevers in de gezondheidszorg. Artikel 9, §1 van de Welzijnswet is van toepassing. |
|
Afdeling 2 — Risicoanalyse en preventiemaatregelen |
Art. VII.1-26 §1 |
Risicoanalyse |
Verplichte risicoanalyse van scherpe medische instrumenten. |
|
Art. VII.1-26 §2 |
Specifieke maatregelen |
Maatregelen bij erkend gevaar op verwonding of infectie. |
|
|
NB: Art. IV.2-5 |
Algemene maatregelen |
Algemene regels voor arbeidsmiddelen zijn eveneens van toepassing. |
|
|
Afdeling 3 — Opleiding van de werknemers |
Art. VII.1-27 |
Opleiding |
Opleiding over gebruik/verwijdering van scherpe instrumenten; primaire en secundaire preventie. |
|
Afdeling 4 — Melding en opvolgingsprocedure |
Art. VII.1-28 |
Melding |
Onmiddellijke melding van incident of ongeval. |
|
Art. VII.1-29 |
Verplichtingen werkgever |
Verplichtingen van de werkgever na melding. |
|
|
Hoofdstuk VII — Biologische agentia |
Art. VII.1-76 |
Melding aan TWW |
Werkgever moet directie Toezicht Welzijn op het Werk onmiddellijk informeren bij incident met mogelijk vrijkomen van biologisch |
Enkele mogelijke specifieke preventiemaatregelen die werden aangehaald:
- eliminatie van onnodig gebruik;
- verbod op recappen;
- gebruik van veilige containers;
- procedures voor gebruik en afval;
- sensibilisering; procedures bij verwonding.
Tenslotte haalde Gracia een aantal problemen met betrekking tot rapportering aan. Zo stelt de codex dat elke werkgever de plaatselijke directie TWW onmiddellijk op de hoogte moet stellen van ieder ongeval of incident dat mogelijkerwijs heeft geleid tot het vrijkomen van een biologisch agens en dat een infectie of ernstige ziekte bij de mens kan veroorzaken. In de praktijk gebeurt dit echter veel te weinig. Ook op dit vlak is er nood aan sensibilisering van de verschillende actoren op het veld. Vanuit de zaal werd opgemerkt dat de middelen of het personeel voor deze rapportering vaak ontbreken.
Veerle Versteirt (Agentschap Natuur en Bos): Tijgermuggen in brouwerijen?
Het korte antwoord? Ja en nee. Er werden al tijgermuggen aangetroffen in brouwerijen. Onderzoek wijst uit dat men ze niet specifiek terugvindt in brouwerijen, maar veeleer langs de belangrijke verkeersassen in België. Ze reizen mee in containers en belanden zo op bedrijfsterreinen enz. Zo ziet men op de as Antwerpen-Brussel een duidelijke piek in het aantal waarnemingen. De schuldige is de globalisatie en de wereldwijde handel in goederen.
Veerle Versteirt lichtte in haar presentatie toe hoe we ons kunnen wapenen tegen de komst van de tijgermug. Tijgermuggen zijn namelijk overdragers van tropische virussen, zoals dengue, chikungunya en Zika.
Versteirt legde een aantal maatregelen voor die men kan nemen bij de aanwezigheid van de tijgermug:
- technische maatregelen, zoals het verwijderen of bestrijden broedplaatsen, het vermijden stilstaand water, het plaatsen van muggenhorren en het plaatsen van ventilatoren;
- persoonlijke maatregelen, zoals kleding en insectenwerende middelen.
Daarnaast drukte ze op het belang van sensibiliseren en informeren.
Kris Van Eyck (werknemersafgevaardigde, ACV) en Gunter Kathagen: Uitdagingen inzake blootstelling van werknemers aan biologische agentia
Samuel Jaupart, werkgeversafgevaardigde bij Essencia, liet zich excuseren voor de studievoormiddag, waardoor Kris Van Eyck als werknemersafgevaardigde bij het ACV in gesprek ging met Gunter Kathagen en het publiek.
Het gesprek zocht naar een antwoord op een aantal stellingen en vragen.
Is de wetgeving rond biologische agentia goed genoeg?
De basis van de wetgeving is volgens Gunter Kathagen degelijk, maar in de praktijk schiet ze tekort. Veel welzijnsactoren kennen de regels onvoldoende, waardoor ze te weinig worden toegepast. Bovendien bevat de definitie in de codex belangrijke lacunes: risico’s zoals bedwantsen, steken van bijen/wespen/hoornaars en plantaardige toxines of allergenen vallen buiten de wetgeving, hoewel ze reële gezondheidsproblemen veroorzaken. Dit leidt tot juridische onzekerheid voor werkgevers en onvoldoende bescherming van werknemers.
Volgens Kris Van Eyck vormt de Europese richtlijn en de codex een stevige basis voor de bescherming van werknemers tegen de blootstelling aan biologische agentia. Toch vindt hij dat we dit kader regelmatig tegen het licht moeten houden. De conventie nr. 192 en Aanbeveling nr. 209 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), die in juni 2025 afgesloten werden, zijn volgens hem een goede aanleiding om deze evaluatie te maken. De volgende elementen zouden (her)bekeken moeten worden:
- de definitie en toepassingsgebied (planten, dieren, …);
- inkomensbescherming tijdens uitbraken;
- vergoedingen beroepsziekten;
- deelname van alle werknemers in beslissingsprocessen over preventie;
- gegarandeerde toegang tot arbeidsgeneeskunde;
- rechten om gevaarlijk werk te weigeren;
- link met mentaal welzijn;
- voorbereiding op toekomstige pandemieën, rekening houdend met de effecten van klimaatverandering.
Toepassing van de wetgeving in de praktijk en obstakels bij het uitwerken van het preventiebeleid
Gunter Kathagen merkt dat de wetgeving niet voldoende wordt toegepast in de praktijk. Zelfs in klassieke risicosectoren ontbreekt kennis en ervaring met risicoanalyses rond biologische agentia. Enerzijds leeft de verwachting dat volksgezondheid de verantwoordelijkheid neemt voor alles wat met virussen, bacteriën en biologische agentia te maken heeft. Maar dat is niet wenselijk en niet werkbaar. Volksgezondheid heeft een curatieve benadering: men grijpt in wanneer iemand ziek is. Welzijn op het werk moet preventief zijn: blootstelling voorkomen of minimaliseren. Een huisarts of ziekenhuisarts kan niet ingrijpen in de werkomgeving. Dat is de taak van de werkgever en de welzijnsactoren. Het is natuurlijk niet de bedoeling is dat werkgevers epidemieën of pandemieën oplossen, maar wel dat ze hun werknemers beschermen tegen blootstelling in de mate dat dit mogelijk is, dus in de mate dat ze controle hebben over de werkomstandigheden.
Het grootste obstakel is onwetendheid: werkgevers en preventieadviseurs hebben weinig reflex om biologische risico’s te analyseren. Werkgevers nemen vaak geen eenvoudige preventieve maatregelen zoals ventilatie, telewerk of afstand houden. Door presenteïsme en gebrek aan samenwerking tussen actoren blijft blootstelling onnodig hoog.
Kris Van Eyck benadrukt het belang van een volledige risicoanalyse in alle ondernemingen, tot op het niveau van de individuele werkpost. Daarbij moet men niet enkel rekening houden met de activiteit, maar ook met de persoonlijke kenmerken van de werknemer (opleidingsniveau, talenkennis, medische toestand, …) en zijn of haar (sociale) omgeving (wijze van verplaatsen, …
Een planmatige aanpak vooraf is nodig, indien nodig met ondersteuning externe expertise, zoals de Externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk. Die aanpak kan bijvoorbeeld bestaan uit:
- doorgedreven sensibilisering, informatie en opleiding van werknemers en participatie van alle betrokkenen;
- preventieplannen die de hiërarchie van preventiemaatregelen respecteren;
- sensibilisering rond het probleem van presenteïsme.
De Covidpandemie toonde volgens Kris Van Eyck aan dat bedrijven onvoldoende voorbereid waren en de maatregelen onvoldoende waren, met groot aantal besmette werknemers tot gevolg. Hierbij werden de effecten op het psychosociaal welzijn onderschat. De gevolgen na de pandemie (zoals ‘Long covid’) worden daarenboven ook nog te vaak onderschat.
Zijn we voorbereid op een nieuwe pandemie?
Gunter Kathagen en Kris Van Eyck zijn het erover eens dat we zeker niet volledig voorbereid zijn.
Volgens Gunter zijn er te weinig simulatieoefeningen, geen structurele taakverdeling rond zoönosen. Daarenboven staat het zorgpersoneel onder zware mentale druk. Hoewel er vooruitgang is (bijvoorbeeld op het gebied van ventilatie, telewerk en vaccinatie), blijft de algemene paraatheid onvoldoende.
Kris Van Eyck kaart aan dat de fundamentals in heel wat ondernemingen niet in orde zijn. De preventiecapaciteit is onvoldoende en de risicoanalyses en preventieplannen liggen niet klaar. Er wordt volgens hem te veel gekeken naar de overheid. Hij verwijst daarbij naar de generieke gids ‘Veilig werken tijdens een epidemie of een pandemie’, die in samenwerking met de sociale partners in de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk werd. Dankzij de Covid-19-pandemie kennen we de kritische sectoren. Dit moet toelaten om de snelle verspreiding besmettingen in die sectoren te vermijden. Daarnaast zijn wel volgens Van Eyck niet klaar op het gebied van nazorg van werknemers die slachtoffer zijn van een pandemie.
Ook uit de resultaten van de Woodclap, die het publiek de kans gaf om live op een paar stellingen te antwoorden, bleek dat 80% van de deelnemers vindt dat we niet of onvoldoende voorbereid zijn op een volgende pandemie.